Ik wil mijn tent

Hieke van der Werff

 

 

Kinderboeken, voorlees- en schrijftips

Ik wil mijn tent! (Kleine prinses), Tony Ross, uitgeverij Memphis Belle

 

Inhoud: De Kleine Prinses wil kamperen, maar steeds gaat het mis. Iedere keer als ze een tent heeft gevonden of gemaakt, breekt een volwassene hem weer af of gaat het regenen. Er moet toch ergens in het koninkrijk een speciale tent zijn die geschikt is voor een prinses… Het is het eerste deel van een serie prentenboeken, gebaseerd op de televisieserie ‘Kleine Prinses’.

'Ik wil mijn tent' is een humoristisch verhaal met duidelijke, kleurrijke illustraties. Het prinsesje heeft een sterk willetje en in het verhaal zijn allerlei emoties duidelijk te zien. De grappige illustraties zijn zeer expressief en versterken de tekst. Een verhaal dat veel herkenning geeft voor kinderen. Leuk om een tweede keer naar de dieren/knuffels in het boek te kijken. Vanaf ca. 4 jaar.

 

Activiteiten:

Taal: Woordenschat: Besteed zo nodig aandacht aan: een taart glazuren; balanceren; dienstmeisje; croquetspullen; wigwam.

Vragen: Hoe maakte het prinsesje steeds (vier keer) een tent? (lakens; croquetspullen; over een tak; met een wasrek). Wat gebeurde er? Wat vond ze daarvan? Maak jij ook wel eens een tent? Hoe, waar? Wat neem je mee? Heb je wel eens echt gekampeerd? Wat namen jullie toen mee? Wat vind je leuk aan een tent?

 

Drama: ‘Ik wil…’ Laat de kinderen in tweetallen een klein toneelstukje bedenken. De één is een kind dat iets wil. Bijvoorbeeld: een ijsje, naar de dierentuin, met het vliegtuig, een duur cadeau. De ander is de vader of moeder die reageert. Wijs aan waar het kind zijn zin krijgt en bij welk tweetal niet. Wat doet het kind of doen ze samen als hij ‘ja’ te horen krijgt? En wat als het een ‘nee’ is?

 

Spel: Met een groep kinderen. Stuur vijf kinderen de gang op; dan kun je het spel vijf keer herhalen. Maak een tentje in de ruimte of laat anders twee of drie kinderen samen onder een laken gaan zitten. Laat één van de kinderen terugkomen en blinddoek hem bij de deur. Breng hem vlakbij de tent. De kinderen in de tent zeggen: ‘Wie zit er in de tent?’ Ze mogen het tegelijk en door elkaar heen zeggen. Het geblinddoekte kind vertelt van wie hij de stemmen hoort. Hij mag één keer drie namen noemen. Hoeveel heeft hij er goed?

Of: laat een kind in de tent gaan. Buiten de tent laten jullie een geluidje horen? Weet het kind wat het is? (sleutels, boek dichtklappen; iets verschuiven; muziekinstrument; doos open of dicht doen, enz.)

 

Beeldend: Laat je kind(eren) ergens in huis of in de ruimte een tent maken. Hoe wordt hij ingericht? Welke knuffel mag er mee? Wordt de tent mooi gemaakt met tekeningen?

 

Bewegen: In een grote ruimte of buiten. Leg allerlei soorten speelgoed en voorwerpen dicht bij elkaar aan het eind van de ruimte. Twee kinderen gaan op een eind afstand startklaar staan. Eén van de andere kinderen mag roepen wat hij van de voorwerpen wil hebben, bijvoorbeeld: ‘Ik wil een lepel!’ Zodra hij dit geroepen heeft, vliegen de twee kinderen erheen. Wie heeft het eerst het juiste voorwerp te pakken? En geeft het vervolgens aan het kind dat het vroeg? Daarna drie andere kinderen. Net zolang tot alle voorwerpen opgehaald zijn.

 

Natuur: Zoek een plek in de natuur waar de kinderen een tent kunnen maken. Wordt het een wigwam van takken of een doek over een tak of tussen twee struiken? Of anders?

Verken ook de omgeving van de tent. Welke bloemen, planten, bomen zien jullie? Zijn er dieren in de buurt? Welke geluiden hoor je?